Vroeger

Vroeger,
4-12

ik_en_zus.jpg
Ik (7) en Zus

Nee, hoor! Ik wilde niet van jongs af aan schrijver worden. Ik las vroeger heus niet alles wat los en vast zat. En ik zat zeker geen gedichten te schrijven als ik liefdesverdriet had. Ik kon wel een aardig opstelletje schrijven, op school. En brieven, die schreef ik ook.

Naar Fokje, bijvoorbeeld. Op een zomerdag, ik was acht jaar, had ik in Friesland een fles te water gelaten met mijn adres op een briefje erin. Fokje vond die fles in het Sneekermeer, midden in de winter. We hebben best lang met elkaar geschreven, maar elkaar nooit ontmoet.
Net MSN, eigenlijk.

Bij tante Saar gingen mijn zusje en ik elke zomer logeren. Ze woonde met oom Jaap op een boerderij in Drenthe. 
Op een dag gingen we bramen zoeken in het bos, samen met Higgins, de grote boerderijbouvier. Plukkend en etend verdwaalden we. 
Ik was bang dat ik op mijn donder zou krijgen, want ik was de oudste. Dus ik zei tegen mijn zus: ‘Higgins weet de weg.’ Dan kon ik namelijk altijd nog zeggen dat we door Higgins verdwaald waren. 
‘Higgins, breng ons naar huis!’ riep ik tegen de hond. Die deed zijn oren omhoog, begon te draven en bracht ons zo weer naar de boerderij. 
In de winter stuurde ik altijd brieven aan tante Saar om te vertellen hoe het met ons ging.

met_higgins.jpg
Ik (12), Higgins, Zus

Ik schreef ook brieven naar oom Toon. Hij woonde in Zwitserland, met tante Bets. (Goeie namen, hè, in mijn familie?) Vroeger was hij de baas van een krant en als ik een brief van hem terug kreeg stond er altijd in: ‘Daar moet je iets mee doen, Corien, met dat schrijven.’ 
Hij was mijn allerliefste oom. Hij hield veel van sport en ik ging altijd schaatsen bij hem kijken toen hij nog in Nederland woonde. Bij mij thuis had iedereen een hekel aan sport. Als er zondagavond voetbal op tv was en ik wilde kijken, gingen we altijd net aan tafel. 
Ja, ja… heel toevallig.

jachthaven_hoorn.jpg
Jachthaven van Hoorn

We woonden in Hoorn aan de jachthaven, waar altijd nieuwe kinderen waren om mee te spelen. 
Kinderen die je nooit meer zou tegenkomen als ze weer met hun vader en moeder op hun bootje stapten en weg zeilden. 
Daarom zei ik soms dat ik Marjolein heette en dat mijn zusje een dodelijke ziekte had, of zo.
Eigenlijk vind ik dat ook het fijnste van schrijven; doen alsof. Doen alsof ik heel goed kan voetballen, bijvoorbeeld, of dat ik zes miljoen euro heb gewonnen.

Ik schreef ook brieven naar de kinderrubriek in de krant. Dan deed ik of ik vier jaar was (ik zat al op de middelbare school). Ik stopte verhalen vol spelfouten en kinderachtige tekeningen in een envelop en stuurde die op. Bijna elke zaterdag haalden ze de kinderpagina. 
Dat soort geintjes zit bij ons in de familie. Mijn tante Saar deed vroeger ook zulke dingen. Toen ze zestien was stuurde ze brieven naar mannen die contactadvertenties lieten plaatsen in de krant. Daar deed ze dan een foto bij van een omaatje vol wratten en zonder tanden.

zus_en_ik.jpg
Zus en ik, toen ik schreef voor de kinderrubriek van de krant

Op school vond ik Nederlands leuk. In de brugklas las meneer De Haas ons voor uit Bint van de schrijver Bordewijk. Ik hoor nog hoe hij ‘Van der Karbargenbok’ uitsprak - dat was een van de personages uit het boek. Het was een prachtig verhaal en hij las prachtig voor. Ik vond het zelfs niet erg dat er af en toe spuug uit zijn mond spetterde. 
Een paar jaar geleden nam meneer De Haas afscheid als leraar. Ik ging naar de receptie. Toen de lange rij voor mij eindelijk weg was en ik mijn hand uitstak om hem te bedanken en een fijn pensioen te wensen, zei hij: ‘Hallo, Corien.’ Na dertig jaar! 
Dat was een van de mooiste dagen van mijn leven.

bint.jpg

Toch ging ik geen Nederlands studeren na de middelbare school. Ik hield namelijk niet van lezen.